Co-assistent verwijdert per ongeluk bijschildklieren

Ria ligt thuis met rugklachten. Huisarts W. in Dordrecht bezoekt haar daarom. Hij ziet een knobbeltje in haar hals en stelt voor deze vergroting van de schildklier operatief te laten verwijderen. Ria wil dat niet omdat ze er totaal geen last van heeft. "U krijgt het benauwd in de overgang en zo'n flinke vrouw als u is weer zo thuis", haalt hij haar over. Hij verwijst haar naar algemeen chirurg K. in wat nu heet het Abert Schweitzer Ziekenhuis in Dordrecht. Later blijkt dat W. en K. vrienden van elkaar zijn en elkaar klanten aanbrengen.

Op carnavalsmaandag in 1960 wordt Ria door co-assistent Van der S. geopereerd. Hij is net terug van het carnavalsweekend. K. is bij deze operatie niet aanwezig. Waarschijnlijk is hij nog carnaval aan het vieren. Als ze bijkomt uit de narcose, voelt ze zich erg vreemd. Ze heeft spierkrampen, trillingen en verstijvingen. Van der S. geeft haar een kalkinjectie. Slechts 10 minuten voelt ze zich beter. Daarna komen de klachten terug. Ze vraagt aan de co-assistent: "Zijn die krampen en stijve handen normaal?" Die is zo wit als een doek en antwoordt nerveus: "Nee, ik heb per ongeluk de bijschildkliertjes meegenomen." Hij schrijft haar medicijnen voor, maar die krijgt ze niet. Later roept de behandelend professor in het Academisch Ziekenhuis Utrecht verbaasd uit: "Hoe bent u in hemelsnaam in leven gebleven. Normaal leven mensen maar drie dagen zonder bijschildklieren." Kort nadat Van der S. is vertrokken, komt de directeur van het ziekenhuis, internist B., schreeuwend binnenstuiven en vraagt wat Van der S. gezegd heeft. Op het antwoord van Ria zegt hij dat daar helemaal niets van waar is. Het is haar duidelijk dat de vergissing in de doofpot moet.

Ria heeft te weinig kalk in haar bloed omdat de bijschildklieren zijn verwijderd. Ze denkt dat ze dood gaat, zo beroerd voelt ze zich. Helemaal krom en stijf is ze en ze voelt zich benauwd, tot stikkens toe. In haar hele lichaam heeft ze geen gevoel meer en daarom ervaart ze niet wat ze eet of drinkt. Haar endeldarm zakt een eind naar buiten, haar tandvlees is enorm opgezwollen, haar buik is dik en ze heeft geen macht meer over haar spieren. Ria wordt in een kamertje alleen gelegd. Tegen bezoek zegt de verpleging dat het prima met haar gaat.

De kalkspuiten gaan door. Een dag of twaalf na de operatie krijgt ze ook druppels. B. doet net alsof de klachten psychisch zijn en K. zegt dat ze alleen kalkgebrek heeft en er verder niets aan de hand is. Omdat het zogenaamd prima met haar gaat, vertrekt ze naar huis. Ze wil geen medicijnen meer innemen. "Dat flesje gooi ik weg", zegt ze tegen de verpleegkundige. Ze moet haar beloven dat ze de druppels blijft innemen. Thuis worden de spieren weer wat steviger en de krampen wat minder. Ze kan weer gaan zitten en opstaan. Wel is ze erg moe.

Als de huisarts langskomt en de druppels ziet, zegt hij dat die zijn ter vervanging van de bijschildklieren. Voor Ria is hiermee de medische fout bevestigd. Hij houdt haar voor: "Al moet u naar het andere einde van de wereld, zonder deze druppels kunt u niet leven." Enkele weken later wordt bloed afgenomen. De uitslag is dat ze zo moe is omdat ze te veel druppels inneemt. Ze gebruikt minder druppels. Na vijf dagen krijgt ze weer trillingen. De moeheid blijft hetzelfde.

Van de vrolijke Ria en haar gelukkig gezinnetje van voor de operatie is niets meer over. De hele dag doen al haar botten pijn door gebrek aan kalk. Haar skelet is ontkalkt, haar nieren zijn verkalkt en haar hart en longen zijn beschadigd. Hierdoor is ze kortademig. Ria is nu 83 jaar. Ze vindt het nog steeds onverteerbaar dat de directeur niet heeft toegegeven dat er een fout is gemaakt. "Dan had ik het kunnen begrijpen, want ieder mens kan fouten maken", zegt ze. "Dan had ik ook eerder die druppels gekregen en was me veel leed bespaard gebleven." Op haar rouwkaart wil ze daarom de leus van NeVeMeDis: "Het maken van een medische fout is menselijk, het ontkennen van een medische fout is onmenselijk."

Terug naar zwartboek