Verkeerde lumbaalpunctie leidt tot levenslange pijnen
Op zijn werk krijgt Meindert een slijpschijf in zijn pols. Door dit bedrijfsongeval kan hij zijn linkerhand niet meer goed bewegen. Hierdoor ontstaat chronische pijn in zijn linkerarm en nek. Het is 7 april 1976 als hij naar assistent-neuroloog D. gaat in de toenmalige Mariastichting in Haarlem. Die werkt onder verantwoordelijkheid van neuroloog B. Assistent D. besluit tot een lumbaalpunctie en spuit de contrastvloeistof Myodil in voor een röntgenfoto. Hij doet dat zonder controle met een monitor en spuit bovendien te veel contrastvloeistof in. Hij laat Meindert naar een bed lopen in een andere kamer om daar plaats te nemen. Als hij op de rand van het bed zit, heeft hij geen controle over zijn benen. Hij kan ze niet stilhouden en ze maken stuiptrekkingen. Hij heeft het bange vermoeden dat er een medische fout is gemaakt.
Op de röntgenafdeling blijkt dat de contrastvloeistof niet in het wervelkanaal gespoten is en daardoor in de buikholte is gelopen. Daarom spuit een röntgenoloog op 13 april opnieuw vloeistof in om een nieuwe foto te maken. Hij raakt de cauda equina, dat is een bepaalde zenuwbundel. Hierdoor lukt het hem niet de vloeistof weer weg te zuigen. Dit wijt hij aan Meinderts lichaam. "Wat heb jij voor een klotelichaam!" bijt deze rouwdouw hem toe. De volgende dag wordt weer contrastvloeistof ingespoten om een foto te maken.
Binnen 8 dagen wordt er dus drie keer de contrastvloeistof Myodil ingespoten, terwijl in de bijsluiter staat dat inspuiting niet herhaald mag worden binnen 10 ā 14 dagen na een lumbaalpunctie tenzij daar een acute reden voor is. En een zeurende pijn in de arm en nek valt daar absoluut niet onder. Ook had D. Meindert na de prik niet mogen laten wandelen. Hierdoor is namelijk de vloeistof in de zenuwwortels gezakt en kan die niet meer verwijderd worden. Na een lurnbaalpunctie dient de behandelaar erop toe te zien dat de patiënt gaat liggen.
In 1977 gaat Meindert naar radioneuroloog V. in het Academisch Ziekenhuis Leiden. Die maakt een röntgenfoto en probeert de contrastvloeistof weg te zuigen. Maar dit lukt niet meer. Zijn oordeel over de artsen in Haarlem is vernietigend. Ze hebben op de verkeerde plek gespoten, ze hadden in het spinaal kanaal moeten spuiten maar hebben daar dwars doorheen gespoten. Verder hebben ze te veel Myodil ingespoten en de vloeistof niet weggezogen. Omdat Meindert last had van zijn arm en nek, hadden ze nooit een lumbaalpunctie mogen uitvoeren. Ze hadden wat hersenvocht uit de wervelkolom moeten nemen.
Dankzij speciale apparatuur in het Academisch Ziekenhuis Leiden kan in 1991 worden vastgesteld dat Meindert lijdt aan arachnoīditis. Dat is een verkleving van de zenuwwortels rond het ruggenmerg. De gevolgen hiervan zijn een brandende pijn in het onderlichaam en verlammingsverschijnselen in de benen. Deze aandoening kan worden veroorzaakt door jodiumhoudende contrastvloeistof die na inspuiting niet uit het ruggenmerg wordt verwijderd. Zes jaar later wordt polythaemia vera ontdekt. Dat is een woekering van de bloedcellen. Die heeft niervergiftiging veroorzaakt, waardoor de lever en het ruggenmerg aangetast zijn. Doordat de contrastvloeistof niet is weggezogen, is die woekering ontstaan.
Dagelijks moet Meindert de gevolgen dragen van de gemaakte blunders. Iedere nacht wordt hij wakker van de pijn en na uren kronkelen van pijn, moet hij opstaan omdat hij het niet meer uithoudt. "Ze hebben mijn leven kapot gespoten. Ik kan zelfs niet meer fietsen. Je gaat ermee naar bed en je staat ermee op", zegt hij enigszins gelaten na 25 jaar strijd. Hij beseft dat hij nooit meer de oude wordt.