Algemeen chirurg ziet derde botbreuk te laat
Iedereen valt wel eens tijdens ijsschaatsen. Als het tegenzit, breek je wat. Als je dikke pech hebt, ben je voor de rest van je leven volledig arbeidsongeschikt. En als je ook nog wordt geconfronteerd met een verzekeringsmaatschappij die naarstig naar redenen zoekt om de schade niet te betalen, ben je pas echt de pineut. Dit overkomt Karin.
Op een koude vrijdagmorgen in januari 1996 valt ze tijdens een schaatstochtje in het Zuiderpark in Den Haag. Haar man Hans draagt haar van het ijs af. Een ambulance is snel ter plekke. Die vervoert haar naar het Leyenburg Ziekenhuis in Den Haag. Daar worden röntgenfoto’s gemaakt. Algemeen chirurg P. stelt snel de diagnose. Karin heeft een dubbele breuk in haar linkeronderbeen: zowel haar kuitbeen als haar scheenbeen is gebroken. P. zegt dat het een kwestie van één operatie is en ze met drie dagen het ziekenhuis lopend verlaat. Karin wordt opgenomen op de chirurgische afdeling en wacht zonder verdere controles, eten en drinken zo’n tien uur met haar voet in een strakke vacuümspalk op de operatie. Dan wordt ze naar de operatiekamer gebracht. Ze krijgt een ruggenprik. Hierdoor is haar onderlichaam verdoofd en is ze verder bij bewustzijn. Daardoor hoort ze P. tijdens de operatie zeggen dat hij een derde botbreuk in haar enkel over het hoofd heeft gezien. Hij besluit de fractuur meteen te behandelen. Hij doet dat met een schroef. Dit betekent dat het niet om een haarscheurtje gaat maar om een duidelijke fractuur. Die had P. dan ook op de röntgenfoto moeten opmerken. Karin heeft een bloedleegteband om haar been. Doordat P. ook de enkelfractuur behandelt, duurt de ingreep langer en blijft de bloedleegteband langer dan de maximaal toegestane duur van twee uur om haar been. Als de verdoving zaterdag is uitgewerkt, heeft Karin heel veel pijn. Zaalarts Q. vindt dat geen reden tot ongerustheid. Hij raadt haar zelfs aan om oefeningen te doen. Maar door de hevige pijn, denkt ze daar niet aan. Als ze zondag wakker wordt, ziet ze dat haar been de kleur van een aubergine heeft. Volgens Q. hoeft ze zich geen zorgen te maken. De volgende dag constateert P. het compartimentsyndroom. Haar been is van binnenuit aan het afsterven. Karin wordt met spoed naar de operatiekamer vervoerd. “Ik hoop dat ik uw been nog kan redden”, verzucht P. Het been hoeft niet geamputeerd te worden, maar de schade aan haar been is niet meer te herstellen. De bloedtoevoer naar haar voet is veel te lang verstoord geweest. Eerst heeft haar voet zo’n tien uur in een vacuümspalk gezeten en daarna wordt haar been te lang door een strakke band afgekneld. Twee en een halve week na haar dramatisch schaatstochtje komt Karin thuis met een verlamde grote teen en twee open beenwonden. Drie weken later wordt ze met spoed opgenomen in het Diaconessenhuis in Voorburg omdat algemeen chirurg M. een beenmergontsteking vermoedt. Ze is erg ziek en ligt drie weken aan een infuus met antibiotica. In mei schiet bij het revalideren de knie van het aangedane been op slot. Onderzoek van M. wijst uit dat een stelschroef is los gaan zitten en de knie verwoest heeft. Door een derde operatie verwijdert M. de schroef en afgestorven weefsel. Omdat Karin heftig reageert op de pen en vier fixatieschroeven die P. tijdens de eerste operatie heeft ingebracht, verwijdert M. die in oktober 1996 door een vierde operatie. Door de verlamde teen valt en struikelt Karin veelvuldig. Dit wordt niet beter. Verder heeft ze veel pijn aan haar been. Daarom wordt ze in september 1997 in het Academisch Ziekenhuis Rotterdam door traumatoloog V. voor de vijfde keer geopereerd. Hij legt het been open en snijdt de diepere spieren in om het been zuurstof te geven. P. had gezegd dat hij dit gedaan had maar tijdens de operatie blijkt dat dit gelogen is. Verder corrigeert V. grote, ontsierende littekens.
Tot haar onfortuinlijke val werkt Karin als ziekenverzorgende. Over de schuldvraag is ze heel stellig. Ze is te laat geopereerd. Daarom stelt ze het Leyenburg Ziekenhuis aansprakelijk. De klachtencommissie van het ziekenhuis concludeert dat het te lang geduurd heeft voordat de complicatie aan haar onderbeen is herkend en behandeld. Een eventuele schadevergoeding moet ze met Nationale Nederlanden, de verzekeraar van het ziekenhuis, bepalen.
Nationale Nederlanden stelt een onafhankelijke arts aan voor een bindend oordeel. Algemeen chirurg Van L. van het Academisch Ziekenhuis Utrecht (inmiddels is hij verbonden aan het Sint Elisabeth Ziekenhuis in Tilburg) stelt in zijn rapport dat er sprake is van een niet-correcte behandeling van het compartimentsyndroom en dat bij directe herkenning en behandeling van deze aandoening restloos herstel te verwachten is. Karin zelf vraagt orthopeed prof. V. van het Universitair Medisch Centrum St. Radboud in Nijmegen om een oordeel. Hij concludeert dat de tweede operatie van Karin een dag eerder had moeten plaatsvinden. Toch beweert de adviserend geneeskundige van Nationale Nederlanden dat de verlamde teen en de schade aan het been veroorzaakt zijn door de enkelbreuk en niet door de te late behandeling van het compartimentsyndroom. “Twee artsen verklaren onafhankelijk van elkaar dat het ziekenhuis mijn vrouw eerder had moeten behandelen, dan kan een verzekeringsmaatschappij dat toch niet meer ontkennen?” zegt Hans ongelovig en vertwijfeld. Maar verzekeringsmaatschappijen die coûte que coûte niet willen uitkeren, schuwen geen middel om onder een claim uit te kruipen. Wie geregeld kijkt naar het programma Breekijzer van Pieter Storms, weet dat ze geen medelijden met het slachtoffer hebben en volstrekt gewetenloos te werk gaan.